Pronkzucht en getreuzel tussen de gruwelen


Jill Stolk  In: Den Haag Centraal, 23-01-2015

 

 

De Indonesische taxichauffeur die Baay naar de kota van Jakarta brengt (er zijn daar nog huizen en gebouwen, zichtbare overblijfselen, van meer dan drie eeuwen Nederlandse aanwezigheid), overwint zijn verlegenheid en vraagt hoe het komt dat iemand die eruitziet als een Indonesiër uit Holland komt! Baays kleine uiteenzetting over de geschiedenis van Nederland in Indonesië zegt chauffeur Haryono niets. In kota, op het Fatahillaplein, ziet Baay het indrukwekkende ‘oude paleis’, de behuizing van de gouverneur-generaal, dat nu een museum is. Baay observeert uitgelaten scholieren die een dagje op excursie zijn en hij vraagt zich af hoeveel van deze jonge mensen nazaten zijn van VOC-slaven.

 

De oorspronkelijke bewoners van Jakarta waren immers voor het grootste deel slaven die uit alle windstreken van Azië naar de centrale slavenmarkt op Batavia werden vervoerd en verhandeld door de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Aan het slot van Baays werk wordt een ander tipje van de sluier opgelicht. Hebben de honderdduizenden Indische Nederlanders en Indonesiërs in Nederland er wel eens aan gedacht dat zij van een slaaf of een slavin uit de Oost zouden kunnen afstammen?

 

Multinational

In 1602 wordt de Vereenigde Oost-Indische Compagnie opgericht, de eerste grote multinational. In de eerste helft van de zeventiende eeuw beheerst en controleert de VOC de belangrijkste zeewegen. Voor de bouw, het tot stand brengen van de infrastructuur en de verdediging van de handelsposten en vestigingen zijn werkkrachten nodig en er worden duizenden Aziatische slaven verscheept. Het VOC-personeel kan de klus niet zelf klaren. Er is te weinig mankracht en aan degenen die er zijn, kun je het werk nauwelijks overlaten. Te veel sterke drank en te weinig arbeidsmoraal. Gouverneur-generaal Reynst verzucht in 1614 dan ook ‘dat een enkele Aziaat meer uitvoerde dan twee of meer Hollanders’.

 

Dankbaarheid valt de ijverige slaven overigens niet ten deel. Hun behandeling is gruwelijk. Ze zijn hun vlees en botten nooit zeker. Baay gaat hier uitvoerig op in. In de achttiende eeuw vallen slaven ten prooi aan de pronkzucht van hun bezitters, rijke VOC-dienaren en vrije burgers. Vooral de vrouwen maken er een voorstelling van, liefst bij de zondagse kerkgang, waarbij zij zich laten begeleiden door zoveel mogelijk slavinnen, ‘van wie er bijvoorbeeld een de parasol droeg, een ander het voetenbankje, weer een ander de waaier, de volgende een geurflacon en weer een ander het sirih-stel’. Het ‘personeel’ is gekleed in zijde, satijn en stoffen met zilver- en gouddraad en draagt ook wel juwelen. De vele stoeten leiden echter tot opstoppingen bij de kerk, verstoring van de kerkdienst en vechtpartijen van de slavinnen onderling. In 1676 wordt vanaf de kansel in Batavia de welgestelde vrouw dan ook gemaand zelf haar kerkboek en overige spullen te dragen. Er is weinig animo om aan deze oproep gehoor te geven!

 

Stijl

Baays uitgebreide onderzoek heeft niet tot een droge opsomming van feiten geleid, honderden bladzijden voortdenderend; het tegendeel is waar. De auteur heeft een stijlmiddel waarmee hij de vaart voor de lezer erin houdt: hij plaatst verleden en tegenwoordige tijd vlak naast elkaar. Een voorbeeld. Gouverneur-generaal Anthony van Diemen gaf in 1636 opdracht aan Gerrit Thomasz. Pool om op Nieuw-Guinea ‘profijtelijcke’ handel te zoeken. Na Baays aanhef ‘Het werd een dramatische reis’, vervolgt de auteur in de tegenwoordige tijd. ‘Bij Nieuw-Guinea aangekomen gaat Pool met tien van zijn mannen aan land. Direct worden ze aangevallen door ‘wel 100 wilde menschen, veel grooter ende grover van posture als onse natie, gantsch swart gelijck de kaffers van Angola(…)’’.

 

Een ander voorbeeld. ‘Nederland heeft zich altijd een kleine, bescheiden speler genoemd op het toneel van de slavenhandelaars’. (Zo leerden wij het op de lagere school in 1960! J.S.) Het ging dan om 500.000 tot 550.000 verscheepte slaven ten bate van de West-Indische Compagnie. De historicus Markus Vink kwam met zijn rekenmethode tot heel andere conclusies en Baay neemt het instrument over. Hij schiet weer in de tegenwoordige tijd als het om de cijfers gaat. ‘Houden we dit aan en berekenen we het aantal voor de gehele VOC-periode in de archipel, dan komt het totaal op 675.000 tot 1.150.000 slaven die zijn verscheept, verhandeld en tewerkgesteld’.

 

Dwangmiddel

De slavernij in Indië wordt officieel in 1860 afgeschaft, maar blijft in feite, ook in andere vormen, tot in de volgende eeuw voortbestaan. In 1901 bestaat de slavernij nog op Lombok, Celebes, Bali en Borneo. Wanneer het beter uitkomt geeft het gouvernement zelfs nog toestemming tot handhaving van slavernij, bijvoorbeeld in delen van Noord-Sumatra, waar moeilijk aan arbeidskrachten te komen is. Europese ondernemers worden ‘beschermd’ met de eerste koelie-ordonnantie, waarmee de poenale sanctie van kracht wordt, een maatregel waarmee de ondernemer een dwangmiddel in handen heeft waaraan de contractkoelies met geen mogelijkheid kunnen ontsnappen. Mishandeling en uitbuiting zijn hun deel.

 

Oud-planter J.Th. Cremer, in 1897 benoemd tot minister van Koloniën, kent de situatie uit eigen ervaring, maar ontkent de berichten. Resultaten van een onderzoek worden in een la geschoven. Beslissingen worden steeds vooruitgeschoven. De algehele afschaffing van de slavernij zou de overheid te veel geld kosten. Pas onder internationale druk, enkele maanden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, zou arbeid op de ondernemingen in Nederlands-Indië worden uitgevoerd door vrije arbeiders. Baay concludeert dat Nederland een omvangrijke en zeer lange slavernijgeschiedenis in de Oost heeft.

 

Deze geschiedenis moet niet verborgen blijven ‘in de mist van de geschiedenis’. Zeker niet als we onze kinderen via ons onderwijs over dit verleden willen inlichten. ‘Dan kunnen we toch niet blijven doen alsof het nooit gebeurd is?’ Eindigen met een bescheiden vraag? Of is dit andermaal een stijlmiddel van Baay, die misschien in zijn vuistje lacht, omdat al die geschiedenisboeken nu aangepast moeten worden.

 

De auteur schreef eerder ‘De ogen van Solo’ (2005), ‘De Njai. Het concubinaat in Nederlands-Indië’ (2008), ‘Portret van een oermoeder. Beelden van de njai in Nederlands-Indië’ (2010), ‘Gebleekte ziel’ (2012). Met dit laatste werk heeft Baay een parel aan zijn oeuvre toegevoegd en de Nederlandse geschiedenis een ‘boost’ gegeven die zijn weerga niet kent.