De Oosterse stammoeder voor altijd bij ons

(Jill Stolk. In: Den Haag Centraal, 22-10-2010)

 

Reggie Baay (1955), auteur behorend tot de Indische Tweede Generatie, gaat het niet alleen om het ‘wat, waar en wanneer’, maar vooral om het ‘wie’ wanneer hij portretten onder ogen krijgt. De unieke serie foto’s rond het thema Oosterse oermoeder die hij tot zijn beschikking kreeg, bestaat dan ook niet alleen uit plaatjes van ‘de goeie, oude, koloniale tijd’, nee, Baay kent ook de persoonlijke verhalen.

 

 

Een foto mag dan meer dan duizend woorden zeggen, zo zonder verhaal blijft het toch gissen. Baay’s laatste werk, Portret van een oermoeder. Beelden van de njai in Nederlands-Indië, toont met ruim honderd foto’s niet alleen het beeld van de njai, maar ook haar omgeving.

            Op de omslag prijkt Baay’s overgrootmoeder. In De njai. Het concubinaat in Nederlands-Indië (2008) beschrijft de auteur haar als volgt: ‘Er bestaat een prachtig portret van haar waarop we haar zien als jonge vrouw. Ze kijkt recht in de lens en is getooid met die typische Javaanse grote oorknoppen. Zij moet toen, schat ik, een jaar of twintig zijn geweest. Een mooie, statige, jonge vrouw.’

            Baay vindt haar foto in het ouderlijk huis. Zijn vaste voornemen: zijn verzwegen (over)grootmoeder (zijn overgrootvader leefde samen met Parijem, zij waren niet getrouwd) en daarmee de andere oermoeders voor altijd in helder daglicht te plaatsen, heeft nu al twee boeken opgeleverd. De foto’s in het laatste werk zijn niet eerder gepubliceerd.

            Veel fotomateriaal met bijbehorende verhalen krijgt Baay toegespeeld als zijn boek uit 2008 wordt gepresenteerd in Jakarta. Hij krijgt er belangrijke bouwstenen mee in handen voor dit volgende werk, waarin het niet alleen gaat om het ‘wat, waar en wanneer,’ maar vooral om het ‘wie’ en zijn of haar dynamische wereld.

            Staan er in De njai vijftien foto’s, in Portret van een oermoeder zijn er meer dan honderd samengebracht. Niet alleen van de njai, nee, haar familie, haar omgeving, haar wereld komt tot ons.

            Indrukwekkend is de stammoeder Katijem, gekleed in sarong en kebayah (witte tuniekbloes), omringd door haar familieleden. Kinderen en kleinkinderen ‘in alle kleurschakeringen, van diep donkerbruin tot helwit’ poseren meestal lqachend rond Katijems rotan stoel in de tuin. Katijem zelf kijkt ernstig, ze wordt immers vereeuwigd en dat is niet zo gewoon.

            Misschien is er een fotograaf naar het huis gekomen, misschien was er al een familielid met een eigen camera. Vanaf 1888 kon de amateur immers beschikken over een Kodak handcamera.

 

Waardering

Baay is zorgvuldig genoeg om de rol van de fotografie in Nederlands-Indië te behandelen. De eerste fotografen in Indië zijn Europeanen die met een opdracht naar de Oost worden gezonden. Adolphe Schaefer maakt in 1844 ‘daguerreotypieën’ van producten en landschappen. De natuurvorser Franz Wilhelm Junghuhn (1809-1864) schoot honderden opnamen van planten, gesteenten en landschappen.

            In de tweede helft van de negentiende eeuw vestigen beroepsfotografen zich in Indië en de Europeanen laten zichzelf, hun familie en hun woonomgeving ‘op photographie’ vastleggen. Goedkoop is het niet. Een standaard portretfoto kost vijftien tot twintig gulden. Het is waarachtig een blijk van waardering wanneer de njai door haar heer naar de studio wordt gestuurd om ‘vereeuwigd’ te worden.

            Via de njai, via het concubinaat (het ongehuwd samenwonen van de Europese man en de inheemse vrouw) wil Baay een gevarieerder beeld schetsen van de koloniale maatschappij van weleer.

            In Nederlands-Indië woonden meer Europese mannen dan Europese vrouwen. Het concubinaat was de oplossing voor dit probleem. Ambtenaren, planters en militairen gingen samenleven met een Indonesische, Japanse of Chinese vrouw. Met dit soort verbintenis liep de Europese man niet te koop. In Portret van een oermoeder zien we een Europese man met zijn drie Indische kinderen. Zijn njai staat niet op de foto. Wat zal de familie in Europa wel denken! Het is werkelijk geen usance om met je voorkinderen (voor het latere huwelijk met een Europese vrouw) te poseren en het portret ‘naar huis’ te sturen als aanvulling op ‘de brief uit Indië’.

            De ‘man’ van Roebiam denkt er weer heel anders over. Hij brengt zijn njai en hun dochter naar de fotostudio en daar poseert het tweetal op blote voeten op een zeer westers aandoend karpet, een vloerkleed met figuren. Het is een atelierfoto, het is een Europees oog, een vreemd oog, dat door de lens kijkt en de fotograaf heeft duidelijk aanwijzingen gegeven hoe te staan. Moeder en dochter kijken desondanks alert en onvervaard.

            Portret van een oermoeder onderscheidt zich van andere fotoboeken door het uitgebreide verhaal bij de geportretteerde. Met dit werk, prachtig uitgegeven, zet de auteur de Oosterse oermoeder krachtig op de kaart. Voorbij is de periode dat zij ‘ongezien’ waren.