Tekst van de lezing gehouden ter gelegenheid van de 15 augustus-herdenking (het einde van de oorlog in het voormalige Nederlands-Indië) in het World Forum in Den Haag op 15 augustus 2014. 

 

 

HET BESEF UIT INDIË TE KOMEN

(HET BESEF IN INDIË GEWORTELD TE ZIJN)

 ©Reggie Baay

  

Mijn vader sprak niet. Dat wil zeggen, hij kón wel spreken, maar dat deed hij niet. Bijna niet. Dat was het eerste wat mij als kind van mijn vader opviel.

Zijn zwijgzaamheid betrof vooral het verleden. Zijn verleden. In Indië. Dat was min of meer een terra incognita, een onbekend, verborgen gebied. ‘Ach waarvoor,’ zei hij altijd als ik, toen ik ouder was, hem voorzichtig probeerde te verleiden om iets te vertellen over zijn jeugd in Nederlands-Indië. En na die twee, vaak emotieloos uitgesproken woorden, hulde hij zich weer in een volledig stilzwijgen.

Soms, in een onbewaakt en onvoorzien ogenblik had ik geluk, en begon hij na mijn zoveelste verzoek toch plotseling te vertellen. Eerst vaak nogal onsamenhangend, maar al snel in de vorm van een anekdote. Maar net zo plotseling als hij de anekdote was begonnen, hield hij niet zelden halverwege op met vertellen. Alsof de gedachten die hem terugvoerden naar dat verleden hem onverwachts bruut bij de keel hadden gegrepen en zijn woorden hadden verstikt. Wat achterbleef was een zwijgende, in zichzelf gekeerde verteller.

Als mijn vader al iets losliet over zijn verleden, dan beperkte zich dat vrijwel altijd tot onschuldige zintuiglijke herinneringen. De geur van de Indische ochtend bijvoorbeeld: die bijzondere, eigenaardige mengeling van vocht, fris loof en brandende arang. Of de typische en ongeëvenaarde smaak van rijpe salak. Daarover wilde hij nog wel eens, bij wijze van hoge uitzondering, vertellen. Maar nooit, nee nooit, kwam er een helder en samenhangend antwoord op vragen als hoe zijn jeugd was in het voormalig Nederlands-Indië; wie precies de mensen waren die hem toen dierbaar waren; wat hij heeft doorgemaakt tijdens zijn krijgsgevangenschap in Birma en Siam; en, hoe het voelde om aan het einde van de jaren veertig uit het Indische paradijs verstoten te worden.

 

Later, veel later pas, zou ik beseffen dat er twee specifieke oorzaken waren die ten grondslag lagen aan mijn vaders zwijgzaamheid; twee zaken die hem zijn lust tot spreken hadden benomen: namelijk zijn afkomst en dé oorlog.

Om met het eerste te beginnen: van de moeder van mijn vader, mijn grootmoeder, wist ik niets. Als kind vroeg ik mij altijd af waarom alle andere kinderen twee oma’s hadden en ik niet één. Nu wist ik van mijn oma van moederskant dat zij in Indonesië was achtergebleven. Bovendien had ik van haar verschillende foto’s gezien. Maar van mijn oma van vaderskant was werkelijk niets bekend. Hoe ik ook aandrong, over haar sprak mijn vader niet. Van haar, zo verzekerde hij mij eens, wist hij niets. Er was geen verhaal, er waren geen foto’s, er was geen enkele herinnering. Er was zelfs geen naam.

Totdat mijn vader overleed, nu bijna 16 jaar geleden, in oktober 1998. Hij vertrok uit dit leven, zoals ik hem altijd had gekend: zwijgend. Nadat hij was getroffen door een hersenbloeding lag hij zes dagen in coma en op de zevende dag overleed hij. Zonder dat wij ook nog maar één enkel woord hadden kunnen wisselen. Het was een dramatisch afscheid in een oorverdovende stilte.

 

Bij het ontruimen van het ouderlijk huis stuitte ik daarna op een klein, oud leren koffertje. Iets dat hij onmiskenbaar voor mij had bestemd. En dat wat hij tijdens zijn leven niet met woorden zeggen kon, vertelde hij via de inhoud van dit koffertje. Tussen allerlei brieven, foto’s, officiële papieren en losse aantekeningen vond ik ondermeer een bijzonder handgeschreven document: 

 

‘Heden, den drie en twintigsten october negentien honderd zes en twintig, verscheen voor mij, Emile Klein, buitengewoon ambtenaar van den Burgerlijken stand te Soerakarta, Louis Henri Adriaan Baay, wonende ter residentie Soerakarta, die mij heeft verklaard, dat te Soerakarta op den elfden september negentien honderd en negentien des voormiddags ten half zes uur is geboren een kind van de mannelijke kunne uit de inlandsche vrouw Moeinah, aan welk kind zijn gegeven de voornamen Pieter Jacobus, hebbende genoemde Louis Henri Adriaan Baay voorts verklaard, dat kind voor het zijne te erkennen.

Voorts verscheen voor mij de Inlandsche vrouw Moeinah, oud naar aanzien vijf en twintig jaren, zonder beroep, wonende te Solo-Djenkiloeng voormeld, die naar aanleiding van artikel twee honderd vier en tachtig van het Burgerlijk Wetboek, mij heeft verklaard in die erkenning toe te stemmen […]’

 

 

Dit is een fragment uit een akte van erkenning. Akten zoals er destijds zovele zijn opgemaakt in het koloniale Nederlands-Indië. De man die erin voorkomt en die het verzoek tot erkenning doet, is mijn grootvader. Het kind is mijn vader en die inlandse vrouw, Moeinah,  is dus zijn moeder. Mijn onbekende grootmoeder.

Dit document was en is het enige tastbare bewijs van haar bestaan en riep uiteraard direct allerlei vragen bij mij op: wie was zij? Waar kwam zij vandaan? Waarom verdween zij uit mijn vaders leven?

Ook allerlei persoonlijke vragen drongen zich op: welke eigenschappen heb ik, haar kleinzoon, van haar geërfd? Lijk ik qua uiterlijk op haar? En heb ik via haar niet vele onbekende en ongekende familieleden in Indonesië? Maar de belangrijkste vragen waren natuurlijk: wie was die Javaanse vrouw die haar kind, mijn vader, zo maar achterliet? En waarom was zij , mijn onbekende en ongekende Javaanse grootmoeder, opgegaan in de mist van onze familiegeschiedenis? 

 

Na de vondst van dit document kon ik  - beetje bij beetje en in grote lijnen - haar geschiedenis reconstrueren.  Op 11 februari 1899 wordt in Soerakarta, Midden-Java, mijn grootvader, Louis Henry Adriaan Baay, geboren. Hij is de zoon van Daniël Casper Baay, gefortuneerd landhuurder en intellectueel met een bijzondere belangstelling voor de klassieke Javaanse cultuur. Mijn grootvader mist echter het scherpe verstand en de culturele belangstelling van zijn vader en wordt opgeleid tot boekhouder om vervolgens in de tropische landbouw op Sumatra zijn fortuin te zoeken. Althans, dat is de bedoeling. Eind 1918 echter kruist het leven van Moeinah dat van mijn grootvader. Zij is – vermoed ik -  de dochter van een landloze tani die kort daarvoor - zoals zovelen in die tijd -  met vrouw en kinderen van het platteland van midden-Java naar de stad is getrokken in de hoop er een bestaan te vinden. Om bij te dragen aan het gezinsinkomen probeert Moeinah in de stad werk te vinden als baboe. Zij moet toen ongeveer zestien of zeventien jaar zijn geweest. Zij wordt vervolgens als vrouwelijke bediende aangenomen in de huishouding van Daniël Baay. Daar wordt zij al snel opgemerkt door mijn grootvader, Louis Baay,. Niet lang daarna leven mijn grootvader en Moeinah in concubinaat in een van de twee villa’s die mijn overgrootvader bezit in Villapark, de toenmalige  Europese villawijk van Soerakarta. Een klein jaar later wordt daar mijn vader geboren. Het is dan september 1919.

De jonge moeder Moeinah mag dan nog slechts enkele maanden genieten van haar prille moederschap. Begin 1920 wordt zij zonder pardon weggestuurd. ‘Teruggestuurd naar de kampong,’ zoals dat destijds genoemd werd. Zonder kind en zonder geld, en met het strikte verbod zich ooit nog in de buurt van het huis in Villapark of haar kind op te houden.

Mijn grootvader vertrekt vervolgens naar Sumatra om daar in de cultures zijn geluk te beproeven en mijn vader wordt als baby toevertrouwd aan de zorgen van mijn overgrootvader, in wiens huis hij voornamelijk wordt opgevoed door de inlandse bedienden.   Enkele jaren later verschijnt mijn grootvader weer in mijn vaders leven; hij wordt opgehaald door de man die een vreemde voor hem is en die inmiddels is getrouwd met ‘zoals het hoort’ een Europese vrouw. En Moeinah? Die was inmiddels geruisloos opgegaan in de inheemse samenleving van Soerakarta. Van haar is sindsdien nooit meer iets vernomen, behalve dan op die ene dag in oktober 1926, toen zij formeel, volgens de wet van de belanda’s, afstand moest doen van het kind, háár kind, dat zij kort na zijn geboorte nooit meer mocht zien.

 

Mijn zoektocht naar Moeinah was achteraf veel meer dan een zoektocht naar mijn grootmoeder. Het was tegelijkertijd een zoektocht naar al die vrouwen als mijn grootmoeder. De njai.   Een zoektocht naar waar ik en velen zoals ik geworteld zijn. Want al snel werd mij duidelijk dat de geschiedenis van mijn vader en zijn onbekende Javaanse moeder niet op zichzelf stond. Sterker nog, gaandeweg werd mij duidelijk dat zij, de njai, vrouwen dus als mijn grootmoeder Moeinah, aan de basis hebben gestaan van elke Indische familie. Aan de basis dus van meer dan een miljoen mensen van wie velen zich hier in Nederland bevinden, maar ook, als gevolg van de diaspora in de jaren veertig, vijftig en zestig, in onder andere de Verenigde Staten, Australië, Nieuw-Zeeland, Canada en natuurlijk Indonesië. 

Maar waarom was er dan zo weinig van haar bekend? Sterker nog, waarom was deze vrouw, net als mijn grootmoeder Moeinah, kennelijk opzettelijk weggestopt in de vergetelheid van de geschiedenis? Want, laten we wel wezen, het koloniale concubinaat; het samenleven van een Europese man met een inheemse vrouw, was in de koloniale wereld van Nederlands-Indië een alledaagse, zeer veel voorkomende realiteit. Als we ons realiseren dat destijds, in het Indië van voor 1900, meer dan de helft en soms zelfs driekwart van alle Europese mannen in concubinaat leefden met een vrouw van het land, dan is het toch logischerwijs niet mogelijk dat men zich haar niet meer herinnert? Dan is het toch op z’n minst opmerkelijk dat weinig Indische families in staat zijn zich de vrouw te herinneren bij wie hun eigen Indische familiegeschiedenis begon? Als we ons dan ook nog eens realiseren dat deze verbintenissen zoveel nakomelingen hebben opgeleverd, dan kan het toch niet anders dan dat haar opgaan in de mist van de geschiedenis ‘mensenwerk’ is geweest? Bewust mensenwerk?

Dat bewust, collectief verzwijgen en vergeten van de njai, zoals ook mijn grootmoeder altijd is verzwegen en vergeten, heeft alles te maken met die koloniale last van het ontkennen: het ontkennen van wat als een ongewenste koloniale realiteit werd beschouwd. In de toenmalige  verhoudingen in Nederlands-Indië, met overheersers en overheersten, was het immers ‘not done’ om je als overheerser in te laten met een overheerste. En al helemaal niet in de vorm van liefde en seksualiteit. Maar goed, vanwege het schrijnend tekort aan jonge, huwbare, Europese vrouwen én omdat liefde en lust zich niet laten reguleren door koloniale barrières, gebeurde dat natuurlijk toch. En, zoals ik daareven al aangaf, massaal zelfs. Hoe ga je dan om met die ongewenste realiteit? Door erover te zwijgen natuurlijk. Door ergens geen woorden aan te geven ontken je dat iets bestaat of heeft bestaan. Dat is wat er collectief gebeurde. Daar ook komt het spreekwoordelijke ‘doodzwijgen’ vandaan.

En mocht iemand, zoals bijvoorbeeld de vele kinderen van de njai en de Europese man, zich die inheemse moeder of voormoeder wel herinneren of willen herinneren, dan werden ze keihard met de neus  op de koloniale feiten gedrukt. Een gedeeltelijke inheemse afkomst immers betekende in de regel een leven in de marge van de koloniale samenleving. Het impliceerde vrijwel altijd sociale en maatschappelijke discriminatie; sterke begrenzing van opleidingsmogelijkheden, sterke begrenzing van carrièreperspectieven en sterke begrenzing van de sociale kringen waarin men kon verkeren.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat velen ervoor kozen om die inheemse moeder of voormoeder te verzwijgen, of erger nog, te ontkennen. Ook al was aan hun uiterlijk, aan de kleur van hun huid, zoals bij mij, die gedeeltelijke inheemse afkomst onmiskenbaar.

Het is een koloniale ballast die velen heeft getekend en die niet zelden generaties later nog haar gewicht laat voelen. Want ook nu nog komt men ze tegen; nazaten van de Indische oermoeder die soms uit onwetendheid, maar vaker nog tegen beter weten in haar bestaan in de familie ontkennen en de bruine kleur van hun huid menen te kunnen verklaren met de verwijzing naar een vermeende en oncontroleerbare Italiaanse, Spaanse of  Portugese voorvader  …

Wie zo zijn afkomst ontkent verdient er ook geen, zou ik bijna willen zeggen. Waarom nu nog degene van wie men afstamt ontkennen? Waarom nu nog die moeder of voormoeder de hormat (eer) ontzeggen die haar toekomt? Dat immers zal een last blijken die men zijn hele leven met zich meedraagt. Wie immers zijn afkomst ontkent, ontkent zichzelf.

Mijn vader werd zijn Javaanse moeder onthouden simpelweg door haar enkele maanden na zijn geboorte weg te sturen en haar vervolgens voor altijd voor hem dood te zwijgen. Dat grijpt zeer diep in in een mensenleven.  Daar heeft hij zijn hele leven last van gehouden. Hoe ik dat weet? Omdat het hem zichtbaar aan woorden ontbrak om over haar te spreken natuurlijk, maar meer nog door een korte aantekening die hij later, ik vermoed vlak voor zijn dood, op de achterkant van zijn akte van erkenning had gemaakt en waarin het universele verlangen van kind naar moeder en van moeder naar kind wordt weerspiegeld. Een paar zinnen maar zijn het; schrijnend in hun eenvoud en ze luiden aldus:

 

 ‘Enkele malen stond er – toen ik klein was – een Javaanse vrouw, niet bijster goed gekleed, bij het hek van onze woning. Zij poogde verschillende malen met mij in contact te komen, maar telkens werd zij door ons personeel verjaagd. Zou zij…?’

 

En dan die andere oorzaak van mijn vaders zwijgzaamheid: de oorlog. Dé oorlog die, hoewel ik tien jaar na beëindiging ervan ben geboren, in mijn jeugd voortdurend als een deken over het leven heeft gelegen.

 

 Altijd als het oorlogsverleden mijn vader weer parten speelde, trok hij zich terug in zijn ‘domein’, de piepkleine achterkamer van de eengezinswoning die wij in de jaren vijftig toegewezen hadden gekregen in een Zuid-Hollands kerkdorp. Daar zat hij dan in zijn met donkergroene trijp beklede fauteuil zwijgend voor zich uit te staren. Urenlang. Niemand, ook mijn moeder niet, mocht hem dan storen, onder geen beding. De kleine achterkamer was dan, tot nader order, spergebied.

 Op zulke momenten, wist ik, was het zaak om op geen enkele wijze zijn aandacht te trekken en om zeer omzichtig, zeer behoedzaam te manoeuvreren. Iedere actie die bij hem tot een schrikreactie zou kunnen leiden zou immers desastreus zijn. Als hij daar zo zat, wist ik, dan was hij volledig in zijn eigen wereld. Een wereld waar ik geen weet van had en die mijn voorstellingsvermogen volkomen te boven ging. Zijn zenuwen waren dan tot het uiterste gespannen, klaar om – als een veer – terug te springen. Met alle gevolgen van dien.

 

 

 

Het begrip Post Traumatisch Stress Syndroom en het daarbij behorende ziektebeeld moest bij wijze van spreken toen nog uitgevonden worden. Bovendien: de tijd en de samenleving; het Nederland van de jaren vijftig en zestig, was er niet naar om zich met begrip en geduld te verdiepen in de traumatische persoonlijke geschiedenis van hen die uit Indië kwamen. Des te meer bewondering en diep, zeer diep respect heb ik - zeker achteraf – voor mensen als mijn vader die zonder enige hulp van wie dan ook, in stilte, zonder woorden, zichzelf van die afschuwelijke ziekte hebben genezen.

Nu zou men kunnen denken dat de deken van de oorlog die over mijn jeugd hing continue loodzwaar is geweest. Nu is dat zeker niet het geval. Om te beginnen heb ik het nooit als loodzwaar ervaren, simpelweg omdat ik er mee ben opgegroeid. Het was een gegeven. Het was er. Dan is het ‘gewoon’.

Daarnaast waren er vele momenten dat ik er zelfs erg veel baat bij had. Dat klinkt gek, maar ik zal u zo’n situatie schetsen.

 

Tot het begin van de jaren zeventig was er in de Nederlandse media eigenlijk bitter weinig aandacht voor de oorlog tegen de Japanners en de Japanse oorlogsmisdaden. Toen – het moet in 1971 zijn geweest – las ik in de krant dat de daarop volgende weken een dramaserie van buitenlandse makelij op de Nederlandse televisie zou worden uitgezonden over een Japanse soldaat die, deel uitmakend van het Japanse keizerlijke leger in Mantsjoerije, langzaam tot het besef komt dat hij deelneemt aan een verkeerde oorlog.

Op de avond van de eerste uitzending zei ik niets, maar stemde gewoon af op de betreffende zender. Voor mij was dit een uitgelezen mogelijkheid om mij enigszins een beeld te vormen wat mijn vader tijdens de oorlog had doorgemaakt. Een beeld van datgene waarover hij altijd volledig had gezwegen.

Mijn vader vermoedde niets; hij interesseerde zich überhaupt weinig voor wat de televisie bood. Bij de aankondiging van de serie door de omroepster rees mijn vader langzaam uit zijn stoel omhoog, maar vervolgens ging hij weer zitten. Totdat het intro begon en het eerste knauwerige Japans te horen was. Als getroffen kromp hij ineen. Het was hem te veel.

Toen ik zijn reactie zag verwachtte ik dat hij woedend het toestel uit zou zetten en mij stevig zou straffen voor zoveel gebrek aan fijngevoeligheid. Op z’n minst verwachtte ik dat hij mij boos en verontwaardigd zou gebieden het toestel op een ander net te zetten. Maar nee, dat alles gebeurde niet. In plaats daarvan stond hij langzaam en waardig op en liep zwijgend de kamer uit. Naar de keuken…

En terwijl hij mij de kans bood om naar de verontrustende opmars van het Japanse keizerlijke leger in Azië te kijken, ging mijn vader in de dapur, in de keuken, aan de slag. Hij ging – hoewel wij niet lang daarvoor onze avondmaaltijd hadden genuttigd – koken, uitvoerig, Indisch.

En terwijl ik naar allerlei gruweldaden van het Japanse leger in Mantsjoerije keek (toen ook  werd ik mij voor het eerst bewust van de Japanse experimenten met chemische oorlogvoering op mensen) en ik het onwaarschijnlijke lijden van de weerloze, onschuldige burgerbevolking aan mij voorbij zag trekken, kwamen mij vanuit de keuken de aangenaam knisperende geluiden van ingrediënten in warme olie en de tintelende geuren van de meest verrukkelijke gerechten tegemoet.

Zolang mijn vader vanuit de keuken of de gang nog geluiden hoorde waaruit hij kon opmaken dat de aflevering nog niet was afgelopen, zette hij geen voet in de woonkamer. En vaak duurde het tot ver na afloop voordat ik hem weer zag verschijnen, simpelweg omdat hij nog niet klaar was met de gerechten die hij in de keuken bereidde.         

Vaak pas tegen middernacht had hij zijn kunststuk voltooid, dekte hij de eettafel voor één persoon en stalde hij de gerechten uit die hij die avond had gemaakt.

En daar zat ik dan: aan de eettafel, te genieten van een werkelijk copieuze Indische maaltijd. En dat twaalf afleveringen, oftewel twaalf weken lang, op de dinsdagavond, rond middernacht. Alleen; want mijn vader wilde zelf namelijk niets van het eten. En wat minstens zo opmerkelijk was:  alle twaalf maaltijden werden – tegen de familie-gewoonte in - afgesloten met een toetje. Een Engels toetje…

 

Vele jaren later, na mijn vaders dood in 1998, kon ik pas de betekenis van dit alles duiden. Met behulp van het eerder genoemde koffertje dat hij mij had nagelaten. Daarin namelijk vertelde hij mij, achteraf, via korte aantekeningen, waarvoor hij tijdens zijn leven de woorden niet kon vinden. Althans niet de gesproken woorden.

Mijn vader was na de capitulatie van Nederlands-Indië met vele lotgenoten als krijgsgevangene door de Japanners afgevoerd richting Birma en Siam. Vervolgens werd hij samen met vele anderen vanuit Birma te werkgesteld  aan de beruchte Dodenspoorlijn naar Siam. Eind december 1943 was aan het gruwelijke werk een einde gekomen en was de spoorlijn voltooid. De ontberingen tijdens de helse dwangarbeid aan de spoorlijn had hij godzijdank overleefd. En medio 1944 bevond mijn vader zich in het centrale basiskamp in Thailand, Nong Pladuk, vlak boven Bangkok. En daar, in Nong Pladuk, bevond hij zich tot mijn verbijstering, zo blijkt uit een nagelaten aantekening, in de dodentent van het kamp. De tent waar stervenden door de Japanners werden afgezonderd in afwachting van hun overlijden.

Mijn vader was dus medio 1944 opgegeven… Het hoe en waarom, is moeilijk uit de aantekeningen op te maken, maar ergens is een verwijzing te vinden dat hij en nog enkele anderen door een Japanse medische eenheid waren ingeënt, waarna de een na de ander doodziek werd en overleed.  

In de dodentent lag mijn vader naast een Engelsman, Forbes genaamd. En in deze krankzinnige situatie; terwijl zij beiden doodziek waren en hen niets anders restte dan te wachten op de dood, probeerden ze zoveel mogelijk en zo gewoon mogelijk vast te houden aan het leven. Ze voerden, zo goed en zo kwaad als het ging, gesprekken met elkaar. Gesprekken over gewone, alledaagse dingen.

 

Wij spraken over eten, schrijft mijn vader in een aantekening. Dat is niet zo gek, want ik heb nog nooit zo vaak over eten gesproken, gedacht en gedroomd als hier in de jaren van krijgsgevangenschap. Toen ik wakker werd had ik bijvoorbeeld op onverklaarbare wijze, maar ontegenzeggelijk, de smaak van goedek in mijn mond. Het leek er warempel op alsof ik net een portie bij een straatventer in Solo had genuttigd! […] Onze geest en haar fantasie waren een zegen voor ons in dat miserabele oord. Enfin, mijn smaakpapillen waren op dat moment tot het uiterste geactiveerd, hetgeen ervoor zorgde dat ik aan niets anders kon denken en over niets anders kon praten dan eten. Het eten van thuis. Over de scherpe en dan weer zachtzoete smaken van Midden-Java. Ik kon mij opeens allerlei smaakfinesses voor de geest halen en alle smaken tot in detail beschrijven. De zachtromige smaak van bajem in de sajoer bening bijvoorbeeld. En de bitterscherpe en tegelijkertijd zachtzoete smaak van sambal goreng tempé… En toen ik daarover aan Forbes vertelde, leek het net alsof ik werkelijk aan het eten was!

En toen vertelde Forbes over de Engelse keuken. Over een stew; een gerecht van vlees, kentang, kool en prei dat langzaam gaar moet koken. En over een pigeon pie, waarin een duif tezamen met verschillende groenten en kruiden in een jas van bladerdeeg wordt bereid. Maar het meest enthousiast kon Forbes vertellen over de Engelse nagerechten. De Engelse keuken is er vooral een van nagerechten. Wellicht niet in de laatste plaats vanwege het feit dat in vrijwel elk nagerecht alcohol een wezenlijk bestanddeel vormt! […]

Het gevolg van onze culinaire praatjes was dat wij, Forbes en ik, ten slotte samen in de dodentent, in onze fantasie, een enorm feestmaal genoten! We proefden wérkelijk de gerechten die we beschreven!

 

Als door een godswonder heeft mijn vader de dodentent in Nong Pladuk overleefd. Hoe, zal altijd een mysterie blijven, want helaas is daar in de koffer niets over terug te vinden.

Mijn vaders Engelse vriend en lotgenoot Forbes heeft het helaas niet gehaald en is in dat onzalige oord overleden. Daarover heb ik wel iets teruggevonden. Die vondst heeft voor mij tegelijkertijd een ander, kleiner mysterie opgelost. Waarom, heb ik mij lange tijd  afgevraagd, heette ik niet zoals alle andere Indische jongens die ik kende: Frankie, Jeffrey, Johnny  of Ferry, maar Reginald? Een naam die ik ten slotte zelf maar heb afgekort tot het Indisch aandoende ‘Reggie’. Toen ik eens mijn moeder vroeg waarom ze mij Reginald hadden genoemd, verwees ze me naar mijn vader. ‘Die stond er op dat je zo zou heten,’ zei ze. Toen ik daarop voorzichtig bij mijn vader naar mijn naamgeving informeerde, zuchtte hij alleen diep en liet het daarbij. Totdat ik, jaren later dus, in de koffer het antwoord vond in de vorm van een korte maar veelzeggende aantekening. Gedateerd op mijn geboortedag: 2 juli 1955. ‘Vandaag,’staat er, ‘mijn belofte ingelost, gedaan bij het sterfbed van mijn dierbare Engelse vriend Reginald Forbes.’

 

U zult zich ongetwijfeld, dames en heren, afgevraagd hebben wat de betekenis is van de foto die u bij binnenkomst groot geprojecteerd op het scherm hier achter mij zag.  Wel, voor mij is dit een foto die laat zien hoe nauw de verbondenheid is tussen ons en het land en de mensen dáár. Bij de verschijning van mijn boek over de njai, nu alweer enige tijd geleden, werd ik geïnterviewd door een landelijk dagblad. In dat interview kwamen mijn band met Indië / Indonesië en het lot, of zoals de Indonesiërs zeggen nasib, ter sprake. Ik heb de interviewer toen uitgelegd dat het lot in mijn geval heel gemakkelijk naar de andere kant had kunnen uitvallen. Om te beginnen: als mijn vader daadwerkelijk was overleden in Nong Pladuk, zoals de verwachting was, dan was ik er immers niet eens geweest. En minstens zo belangrijk: hoe groot was de kans niet dat mijn grootmoeder Moeinah destijds niet alleen, maar samen met haar kind, mijn vader, zou zijn weggestuurd? Terug naar de kampong, zoals met zovele njai en hun kinderen is gebeurd? Mijn vader zou dan vervolgens samen met zijn moeder zijn opgegaan in de lokale Javaanse bevolking van Soerakarta. En ik? Het is niet denkbeeldig – en dat realiseer ik mij terdege -  dat ik dan nu, in plaats van hier voor u te staan, in of rond Solo mijn kostje bij elkaar had moeten scharrelen als bijvoorbeeld een tukang saté (satéverkoper). Dat werd dan ook de kop boven het interview toen het in de krant verscheen: ‘Ik had ook satéverkoper in Solo kunnen zijn.’ Enkele weken nadat het artikel was verschenen wás ik in Solo, en wel in de wijk waar mijn grootmoeder moet hebben geleefd. En toen ik daar nogal aangedaan door die wijk liep, stuitte ik op dit tafereel, met deze tukang saté …  

Het zijn deze zaken: de njai en de oorlog; zaken waarover mijn vader tijdens zijn leven niet kon spreken, die mij elke keer weer doordringen van het feit dat ik in Indië geworteld ben. Ik, die, zoals zovelen van mijn generatie, hier in Nederland ben geboren, opgegroeid en opgeleid.  Ook al ligt Indië, zowel in tijd als in ruimte, inmiddels ver achter ons, tegelijkertijd is het elke dag zeer nabij en maakt het deel uit van onze dagelijkse realiteit. Draag ik immers het Indische verleden niet letterlijk met mij mee? Alleen al in de vorm van mijn huidskleur, afkomstig van mijn grootmoeder, en mijn naam die verbonden is met de oorlog daar?

Het doet mij dan ook bijzonder veel genoegen dat ik juist vandaag hier mag zijn en mag spreken. Want toen mijn vader overleed en hij mij, op zijn bijzondere manier, alsnog deelgenoot maakte van zijn en dus ook mijn afkomst en geschiedenis, nam ik mij voor om juist hierover zoveel mogelijk te vertellen. Niet alleen met mijn eigen woorden, maar ook met de woorden die mijn vader nooit heeft gesproken. Als hormat, als eerbetoon. Ik nam mij voor om kennis van de Indische afkomst en de Indische geschiedenis – ook en vooral die van de oorlog die we vandaag herdenken -  zoveel mogelijk te delen met de generaties van nu en die van de toekomst. Dat is de reden waarom ik spreek en waarom ik boeken schrijf. Waarom ik dit zo belangrijk vind? Wel, een Indische generatie die haar afkomst niet kent, die ontkent haar eigen bestaan; en – minstens zo belangrijk -  een Indische generatie die haar eigen geschiedenis niet kent, vergeet dat zij een toekomst heeft.

 

 

Reggie Baay

Zomer 2014

 

 

Lees verder:

 

Reggie Baay: De Ogen van Solo. Uitg. St. Tong Tong, Den Haag

Reggie Baay:  De Njai; Het concubinaat in Nederlands-Indië. Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam