Tekst van de lezing gehouden in de Stadsschouwburg in Amsterdam in verband met de opvoering van De Stille Kracht van Louis Couperus door Toneelgroep Amsterdam. (In het kader van de reeks Wish You Were Here, d.d. 07-12-2015)

  

Amsterdam, 7 december 2015

 

DE STILLE KRACHT

 

© Reggie Baay 

 

‘Wij waren afgesneden van begrip van onze omgeving,’ laat Joseph Conrad zijn personage zeggen in een ander literair meesterwerk uit het begin van de twintigste eeuw: Heart of Darkness. En hiermee vatte hij kernachtig het essentiële probleem van de Europese koloniaal in die andere omgeving samen. En ja, terwijl er sowieso al een enorme kloof van onbegrip bestond tussen de koloniaal en de gekoloniseerde, tussen de Europeaan en de Afrikaan en Aziaat, werd dat onbegrip in het koloniale Nederlands-Indië nog eens extra opgeroepen en aangewakkerd; uit hebzucht, uit hoogmoed, uit dat verfoeilijke Westerse superioriteitsgevoel en misschien ook wel uit een onbeteugelbare afkeer voor rasvermenging.

Het is verbluffend hoe Louis Couperus in De Stille Kracht de kern weet te raken van die gemankeerde relatie tussen de Europeaan en de Aziaat in het Indië van zijn tijd. Het waren die onmetelijke afstand en als gevolg daarvan dat oneindig niet-begrijpen die essentieel waren voor die gemankeerde verhouding, en het is dan ook niet voor niets dat zij prominent aanwezig zijn in De Stille Kracht.

Cruciaal voor die afstand en het onbegrip was de Nederlandse kolonisatie-opvatting in Indië. Ik spreek in dit verband liever van een opvatting dan van een model. Dit laatste veronderstelt immers een doordachte constructie of op z’n minst een zekere gelaagdheid, maar hiervan was in het geheel geen sprake. Heel plat, heel eendimensionaal, was men de mening toegedaan dat de kolonie Nederlands-Indië slechts ter exploitatie diende van het moederland. Niets meer en niets minder. Hadden andere koloniale mogendheden naast de wens om uit hun koloniën alles te halen ook nog de behoefte om er iets te brengen, in de vorm van bijvoorbeeld beschaving, ontwikkeling, de eigen cultuur of, godbetert, het geloof, Nederland had als koloniale mogendheid slechts de intentie om uit de archipel alles te halen. Hierbij werd gestreefd naar zoveel mogelijk afstand tussen kolonisator en gekoloniseerde, waarbij de achterliggende gedachte was dat de macht het beste gewaarborgd was wanneer er geen vermenging (op geen enkel vlak) plaatsvond met de overweldigende meerderheid van gekoloniseerden. Superioriteit kon, volgens deze opvatting, het beste zichtbaar en – vooral – bestendigd worden door maximale afstand.   

Die maximale afstand kreeg bijvoorbeeld vorm in het getrapt besturen van de kolonie, zoals we dat in De Stille Kracht terugzien in de relatie tussen Van Oudijck en de regent van Laboewangi. Er werd gebruik gemaakt van de in de kolonie bestaande inheemse machtsstructuren en er werd geregeerd via de inheemse adel, waardoor men als kolonisator nauwelijks tot geen contact had met de bevolking. En dat had natuurlijk consequenties. Het is dan ook niet vreemd dat na ruim drie eeuwen Nederlandse aanwezigheid in Indië men nauwelijks wist wat er onder de inheemse bevolking leefde. Zo horen we een van de personages in deze toneelversie van De Stille Kracht amechtig verzuchten: ‘Ik begrijp die inlanders niet. Het is alsof er een onzichtbare muur tussen ons in staat. Er is een geheim in de ziel van deze zwarte mensen die ik niet ken.’ Welnu, de Nederlandse mythe van de mysterieuze Javaan, zou dan ook wel eens niets anders kunnen zijn dan een logisch gevolg van een volledig gebrek aan contact met en interesse voor diezelfde Javaan.  

Maar ook als er wel contact was met die ander, zoals met de inheemse adel, dan nog was er voortdurend sprake van niet-begrijpen. Van onbegrip als gevolg van desinteresse, misplaatste superioriteit of hoogmoed. Couperus laat dat- en dat is cruciaal voor de intrige -  treffend zien in de confrontatie tussen Van Oudijck en de familie van de regent van Laboewangi. In de directe en in Oosterse ogen zeer vernederende manier waarop Otto van Oudijck als resident Soenario en zijn familie terechtwijst. Dat is niets meer en niets minder dan een regelrechte clash tussen West en Oost. Zou een andere handelwijze veel effectiever zijn geweest en minder desastreuze gevolgen hebben gehad, de onwetende, rechtlijnige en met een beperkt handelingsrepertoire behepte Van Oudijck doet juist datgene wat hij niet had moeten doen. Met alle gevolgen van dien.

Dat onbegrip tussen de westerling en de oosterling in Nederlands-Indië werd in Couperus’ tijd  nog eens vergroot door de koloniale taalpolitiek. Ook een uitvloeisel van de wens om de ‘inlander’ op afstand te houden. Is het u wel eens opgevallen dat in menige voormalige Engelse kolonie nu nog Engels wordt gesproken, of in menige voormalige Franse kolonie Frans, maar dat dat in Indonesië met het Nederlands niet het geval is? Afgezien van een enkele stokoude gids in de kraton van Yogjakarta die zich bedient van een bijna sprookjesachtig archaïsch Nederlands, spreekt vandaag de dag vrijwel geen enkele Indonesiër Nederlands. Niet dat men daar in Indonesië rouwig om moet zijn; integendeel; het Nederlands is nou niet bepaald een wereldtaal die deuren opent. Maar hoe kan dat nu na drieënhalve eeuw Nederlandse koloniale overheersing? Na drieënhalve eeuw contact? Wel heel simpel: omdat de overheersten de taal van de overheerser niet mochten spreken. Er was sprake van een koloniale taalpolitiek waarbij er angstvallig voor gewaakt werd dat de inheemse bevolking het Nederlands, de taal van de koloniale elite, machtig zou worden. Het Nederlands mocht in geen geval de gemeenschappelijke taal in de kolonie worden. Afstand tussen koloniaal en gekoloniseerde moest ook in dit opzicht angstvallig bewaard blijven.

Hoe er dan in voorkomende gevallen met de bevolking werd gecommuniceerd? Door zich als koloniaal te bedienen van een zeer gemankeerde, directieve vorm van de toenmalige taal van het volk: het Maleis. Met gebruikmaking van een minieme woordenschat, en een verregaande minachting voor de grammatica en de nuances van die taal. Het resultaat kennen we in de vorm van de veelal op barse toon geuite grove bevelen waarmee de ondergeschikte inlander doorgaans werd gemaand van dienst te zijn.    

Tja, en als men dus elkaars taal niet of nauwelijks spreekt, respectievelijk niet mag spreken en niet wil spreken,  dan betekent dat per definitie onbegrip en misverstanden… Dan is het ook niet gek dat, zoals in De Stille Kracht, als gevolg van dat onbegrip, in combinatie met een volkomen minachting voor en desinteresse in die andere cultuur, het belang van een goed gekozen dag, of het belang van een inwijdingsritueel of selamatan voor een nieuwe put met stuitend dedain wordt afgedaan als kinderlijk bijgeloof, of primitieve domheid. Met  - alweer -  alle gevolgen van dien. 

Er was nog een ‘terrein’ in de koloniale Indische samenleving van Couperus’ tijd waar die afstandspolitiek zich manifesteerde. En de gevolgen daarvan hebben van Couperus als subliem observator een prominente plaats in De Stille Kracht toebedeeld gekregen. De wens tot afstand tussen de Europese bewoners en de Aziatische bevolking in de kolonie kwam namelijk ook naar voren in het verbod op en de openlijke en massale afkeuring van interraciale relaties. Huwelijken en verhoudingen tussen Europese mannen en ‘inferieure’ Aziatische vrouwen waren voor de Europese gemeenschap taboe, werden beschouwd als een ontoelaatbare schending van de koloniale code en werden gezien als een verregaande vorm van degeneratie.

Maar het koloniale Indië was tegelijkertijd ook een broeierige, naar lust en liefde hunkerende samenleving. Juist ook vanwege dat taboe. Het is niet voor niets dat we Eva Eldersma in dit verband over de kolonie horen verzuchten: ‘Ik geloof dat er nergens zoveel wordt liefgehad als hier…’. In de koloniale wereld van Nederlands-Indië waar dus rigide raciale grenzen waren getrokken, een schreeuwend tekort bestond aan jonge, huwbare Europese vrouwen en tegelijkertijd een enorm overschot was aan jonge Europese mannen in, zoals men dat placht te noemen, de kracht en bloei van hun leven, kon het niet anders of die overmatig aanwezige lust en liefde zochten een uitweg en lieten zich niet begrenzen door koloniale barrières. Wat dat betreft lijkt Couperus het Indische leven in De Stille Kracht meer naar de werkelijkheid te hebben getekend, dan menige Nederlandse lezer, toen en nu, vermoedt.

Het maakte die samenleving in Couperus’ tijd tot een wereld van een onthutsende hypocrisie als het gaat om relaties en seksualiteit. Een wereld waarin met de mond iets geheel anders werd beleden dan massaal met de daad werd uitgevoerd. Als ik u namelijk alleen al vertel dat tegen het einde van de negentiende eeuw, in de periode dus dat De Stille Kracht verscheen, meer dan de helft van alle Europese mannen in de kolonie - we hebben het dan over vele tienduizenden mannen – voor langere of kortere tijd met een Aziatische concubine leefde, dan kunt u zich daar wellicht enigszins een voorstelling bij maken.

Die massale hypocrisie, die massale heimelijkheid op dit gebied tekende die samenleving. Die heimelijkheid, die fixatie op lust en seks lagen voortdurend dicht onder de oppervlakte van die koloniale wereld. En Couperus toont ons dat met een magnifieke trefzekerheid. De zinderende zinnelijkheid van Leonie van Oudijck, de obsessieve lustgerichtheid van Addy de Luce of van Theo; het zijn meer dan zuiver persoonlijke eigenschappen of aberraties, want ze staan ook en vooral in direct verband met de mores in de toenmalige koloniale wereld van Nederlands-Indië. Overal woekerde immers de lust; overal sluimerde het verlangen; overal lagen de mogelijkheden en kansen om jezelf te verliezen… Toegestaan door een collectieve hypocrisie. Niet in de laatste plaats omdat men zich op dit gebied bevrijd waande van de verstikkende mores en dito blikken uit het moederland.

 Diezelfde mores zorgden bovendien voor wat Couperus ons ook zo genadeloos toont: het liefdeloze huwelijk in de kolonie. Meer nog dan in de ‘gewone’ wereld werden nogal wat huwelijken in Indië gekenmerkt door liefdeloosheid waarvoor vervolgens compensatie werd gezocht in overspel. Er is bijna geen enkele oud-Indische familie waarin op dit gebied geen geheimzinnig schandaal voorkomt, waarin niet opeens onbekende bastaarden opduiken of scabreuze avonturen van lang geleden overleden familieleden aan het licht komen. En ik kan het weten. Niet alleen stam ik zelf uit zo’n oud-Indische familie, maar ik heb ook de twijfelachtige eer dat ik er ooit eens onderzoek naar heb gedaan…

En dat kan ook eigenlijk niet anders in een wereld waarin aan het huwelijk strikte raciale grenzen werden gesteld, waarin liefdes waren verboden, waar tegelijkertijd de mogelijkheid bestond om via een ‘gunstig’ huwelijk niet alleen maatschappelijk, maar eventueel ook nog eens raciaal te ‘stijgen’, en waar ten slotte de hypocrisie hoogtij vierde.

Liefdeloze huwelijken te over dus destijds in de kolonie. Ook in De Stille Kracht. Dat tussen Leonie en Otto bijvoorbeeld, of het bloedeloze huwelijk tussen de degelijke maar oersaaie Eva Eldersma en haar werklustige man. En wat te denken van de dweepzieke Indo Frans van Helderen die noodgedwongen binnen zijn eigen raciale groep is getrouwd met een Indische vrouw die hij minacht, terwijl hij smacht naar de liefde van de Nederlandse Eva Eldersma. En last but not least natuurlijk het liefdeloze huwelijk in wording: dat tussen Doddy en Addy de Luce.

Er was nog een gevolg van die afstandspolitiek in de kolonie: de hartgrondige afkeer van de halfbloed. De hypocrisie maar ook de, zou ik bijna willen zeggen, schizofrenie, de tweeslachtigheid als het gaat om mensen van dat andere ras, de Aziaat, was diepgeworteld en wijdverbreid. Hield de Europese man het enerzijds massaal en heimelijk met de Aziatische vrouw en bedreef hij, zoals ik daarnet al betoogde, op grote schaal heimelijk de liefde met haar, wanneer dat samenzijn een kind voortbracht, verfoeide en verwenste hij niet zelden die half-Aziaat, zijn eigen kind notabene, hartgrondig.

 Over die halfbloed heersten onder de Europeanen in de kolonie tal van abjecte generalisaties bedoeld om de Europese suprematie te benadrukken en de afstand tussen de zuivere Europeanen enerzijds en de ‘bastaarden’ en Aziaten anderzijds duidelijk te markeren. Bloedmenging, zo was de gangbare opvatting leidde slechts tot verregaande degeneratie. Of zoals een confessioneel Tweede Kamerlid kort na 1900 nog in het parlement betoogde: de halfbloed was hereditair belast. Verenigde slechts het kwade van twee werelden in zich en was daarom een groot gevaar voor de heersende koloniale orde én het Europese ras in de kolonie!

 Wel die opvattingen over de halfbloed, de Indo, worden dan ook in De Stille Kracht genadeloos geschetst. Zo horen we Otto in verband met de familie De Luce in het stuk opmerken: ‘Ik haat alles wat half ras is. Ik haat hun manieren, hun gedweep met de inlandse hoofden, hun verslaving aan het spel…’ En over Doddy en Theo: ‘In mijn kinderen stroomt Indisch bloed. Bij Doddy zie je het aan haar verfijnde trekken, vooral als ze moe is, bij Theo ligt het verscholen in zijn innerlijk: een onverzettelijkheid die hem het leven lastig maakt.’ Valt dit dan nog wel mee; Otto’s veronderstelde bastaardzoon Si Oudijck wordt echt genadeloos neergezet: ‘Hij ronselt bedevaarders voor Mekka. Smeert ze goedkope reizen aan. Hij scharrelt rond en vervloekt zijn vader.’ De enige halfbloed die er nog enigszins goed vanaf komt is de flemerige Frans van Helderen. Maar ja, hij is dan ook ‘de meest Westerse halfbloed van Laboewangi,’ zoals hij in De Stille Kracht wordt genoemd. Vandaar. En hoe Westers hij is, of poogt te zijn, blijkt wel uit de manier waarop hij zijn eigen vrouw, ook een halfbloed, tegenover de door hem aanbeden Eva Eldersma wegzet: ‘Ze blijft een halfbloed. Mét haar grillen, haar melodramatische scènes. Vroeger zag ik het niet, of deed er het zwijgen toe. Maar nu verstikt het me.’

 

Enfin, wat ik u in mijn korte praatje vanavond heb willen laten zien, is dat wie, zoals het Nederlandse koloniale bestuur destijds, uit een kolonie alleen maar haalt en niets brengt, dat wie bewust zoveel afstand schept en houdt, wie zoveel onbegrip creëert en in stand houdt en wie bovendien zoveel haat zaait en laat groeien - niet alleen onder de gekoloniseerde Aziaten, maar ook onder zijn eigen bastaardkinderen - die creëert onherroepelijk zijn eigen gewelddadige ondergang.

Het is Couperus’ verdienste dat hij dat aan het begin van de twintigste eeuw allemaal feilloos doorzag, en dat hij dat bovendien op een sublieme manier wist vorm te geven in De Stille Kracht. En dat, terwijl zijn vele Europese tijdgenoten, van wie de meeste nota bene zelf vele jaren woonachtig waren in de kolonie, niet in staat waren om te zien welk monster zij zelf hadden gecreëerd. Zelfs tijdens de kamerdebatten van 1939, aan de vooravond dus van de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende dekolonisatie, waren er nog Nederlandse politici, de zogenaamde Indiëkenners, die betoogden dat het vanaf dat moment nog minstens vijftig tot honderd jaar zou duren voordat de onafhankelijkheid van Indonesië daar zou zijn.  

Had men De Stille Kracht bij het verschijnen aan het begin van de vorige eeuw niet alleen gelezen als een literair meesterwerk, maar ook als een haarscherpe analyse van de koloniale wereld van Nederlands-Indië -  en had men daar lering uit getrokken - wellicht was de dekolonisatie van Indonesië enkele decennia later dan veel minder gewelddadig en veel minder dramatisch verlopen dan nu het geval is geweest.