OPEN BRIEF

ter gelegenheid van de nationale herdenking afschaffing slavernij op 1 juli 2015, en de bizarre situatie dat het Nederlandse slavernijverleden in de voormalige kolonie Nederlands-Indië (nog steeds) geen plaats heeft in ons collectieve geheugen, onze nationale geschiedenis en in de nationale herdenking afschaffing slavernij.

 

 

Ook als het gaat om de eigen slavernijgeschiedenis heeft Nederland last van een selectief geheugen

© Reggie Baay

 

1 juli 2015,

 

Vandaag wordt in ons land de afschaffing van de slavernij herdacht. Stilgestaan wordt bij het feit dat 152 jaar geleden een einde kwam aan de slavernij in de Nederlandse koloniën. Wat velen zich echter niet realiseren is dat jaarlijks op 1 juli slechts één deel van de Nederlandse slavernijgeschiedenis wordt herdacht, namelijk dat in de West; in Suriname en de Antillen. Dat ons land ook een slavernijverleden heeft in het Indische Oceaangebied, met name in de voormalige kolonie Oost-Indië (het latere Nederlands-Indië), dát mogen we om meerdere redenen niet meer negeren.

 

Al vanaf het begin van de zeventiende eeuw hebben wij óók een geschiedenis met slavenhandel en slavernij in Azië. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat alleen al onder het VOC-bewind daar enkele honderdduizenden slaven zijn gemaakt, gekocht, gebruikt én verhandeld. En toen aan het einde van de achttiende eeuw de Compagnie ter ziele ging en het bestuur van de kolonie Nederlands Oost-Indië in handen kwam van de Nederlandse ‘staat’, betekende dat geenszins het einde van de koloniale slavenhandel en slavernij.

Het duurde vervolgens tot halverwege de negentiende eeuw voordat in het Nederlandse parlement werd besloten tot afschaffing van de slavernij in Nederlands-Indië: ‘Uiterlijk op den 1sten Januarij 1860 is de slavernij in geheel Nederlandsch-Indië afgeschaft,’ zo werd beslist. Drieënhalf jaar eerder dus dan in de West.

Wie verwacht dat hiermee daadwerkelijk een einde kwam aan de slavernij in deze kolonie, komt echter bedrogen uit. Met de afschaffing op 1 januari 1860 werd slechts een klein deel van de slaven in de archipel vrijgekocht; het overgrote deel, dat wil zeggen vele tienduizenden slaven die veelal in bezit waren van slavenhouders buiten Java, bleef in slavernij. Vrees voor politieke onrust, maar vooral de wetenschap dat het vrijkopen van deze slaven letterlijk ten koste zou gaan van de koloniale baten ten behoeve van de Nederlandse schatkist weerhielden de achtereenvolgende wankelmoedige regeringen ervan er daadwerkelijk een einde aan te maken. Het zorgt voor  het onthutsende feit dat onder het Nederlandse koloniale bewind de slavernij in Nederlands-Indie, ondanks de formele afschaffing in 1860, tot in de eerste decennia van de twintigste eeuw gewoon kon blijven voortbestaan…   

In Nederland hebben we altijd al een moeizame relatie gehad met de schaduwkanten van onze geschiedenis. Die moeizame relatie betreft niet in de laatste plaats ons verleden in de voormalige koloniën. Is het niet veelzeggend dat het onverkwikkelijke slavernijverleden in Nederlands-Indië volledig uit ons collectieve geheugen lijkt te zijn gebannen, geen plaats heeft in onze nationale geschiedenis en ook geen plek heeft gekregen in de nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij? Het feit dat dit met het slavernijverleden in de West wél het geval is, is dan ook zeker niet het gevolg van een grootse houding om ons falen in het verleden onder ogen te willen zien. Integendeel. Het is het gevolg van de bewonderenswaardige en niet-aflatende strijd van de Surinaamse en Antilliaanse nazaten voor erkenning van hun slavernijgeschiedenis.

Wat betreft het slavernijverleden in de Oost is er nooit een vasthoudende groep van slavennazaten opgestaan die erkenning van haar geschiedenis heeft geëist. En het valt ook niet te verwachten dat zo’n groep zal opstaan, simpelweg omdat de meeste nazaten van de slaven uit de Oost zich niet bewust zijn van hun eigen geschiedenis van slavernij.

Betekent dit dat we dan maar moeten volharden in het nalaten ook dit deel van onze slavernijgeschiedenis te erkennen en te herdenken? Nee, natuurlijk niet. Om met het laatste te beginnen: herdenken is niet alleen een zaak waarmee respect wordt betoond aan slachtoffers en (bewuste) nazaten, maar is zeker óók bedoeld om ‘niet te vergeten’; om kritisch naar ons handelen in het verleden te (blijven) kijken en daarvan voor de toekomst te leren. En is het daarnaast niet wrang dat in ons geschiedenisonderwijs manmoedig de slavernij in de voormalige Nederlandse koloniën is opgenomen, maar dat daarin opvallend genoeg de slavernij in onze voormalige kolonie Nederlands-Indië ontbreekt? Is dat niet, nu onderzoek onweerlegbaar duidelijk maakt dat het totale Nederlandse aandeel in deze donkere episode uit de wereldgeschiedenis aanmerkelijk groter is dan tot nu toe werd aangenomen, een abject staaltje van geschiedvervalsing? Want geschiedverzwijging is, zoals schrijfster en journaliste Anne Lot Hoek nog onlangs in NRC-Handelsblad betoogde, óók geschiedvervalsing.

En tot slot nog dit. Een natie die angstvallig weigert haar schaduwkanten uit het verleden onder ogen te zien en zich vooral laat voorstaan op haar historische ‘successen’, creëert een verkeerd zelfbeeld en blinkt - in haar blindheid-  vooral uit in het hautain anderen de maat nemen. Zo’n natie is niet alleen ongeloofwaardig en dwingt geen enkel respect of moreel gezag af, maar oogst, vooral internationaal, slechts irritatie en hoon.